Verse sneeuw heeft de sporen van gisteren uitgewist. Gisteren was prachtig. Het mooiste licht dat ik dit jaar heb gezien. Gedempte geluiden ondanks het kraken onder mijn voeten. Geen onderscheid meer tussen trottoir en weg. Alles wit. Nagenoeg stil. De aarde houdt haar adem in. In de lucht vele vluchten ganzen. Vele ganzen vluchten. Voor hen geen foie gras dit jaar. Voor wie wel? Uren door en langs de stad gelopen. Warme wasemwolkjes uit mijn mond. Langzaam kleurde de lucht licht lila. Een prachtige zonsondergang. Langzaam optrekkende nevels over de velden.
Midwinterzonnewende. Vandaag is het 21 december, de dag dat mijn moeder 80 zou zijn geworden. Voel verdriet opkomen als ik dit opschrijf. Verdriet blijft lang hangen. Begrijp niet zo goed waarom dat is. Ben al weer op zoek naar verklaringen. En met de verklaringen verdwijnt het verdriet. Moet of wil mijzelf dwingen om stil te staan bij mijn moeder. Mama. De vrouw die mij gedragen en verdragen heeft. Herinneringen komen op. Stilstaande beelden, altijd dezelfde. Wassen en douchen in het granieten lavet. Tussen de keuken en de slaapkamer van mijn ouders. Soms met mijn broer of zus in bad. Kan nog de niet helemaal opgeloste soda onder mijn voeten voelen. De droge handdoeken waarmee mijn moeder mij afdroogde. In de douche ook de wasmachine met houten wasknijper en wringer. Om 4 uur een kopje thee na schooltijd. Liedjes voor haar zingen in de krappe keuken. De kleine gebarsten keukentafel waaraan we zaten. En daarna voetballen op het plein voor ons huis. Raar dat we nooit op het plein achter onze flat voetbalden. We, mijn broer en ik. Met Tommie en Johnny Reeders, onze Indische vriendjes, speelden we tegen Doffe Dreun en Appie Happie. Volwassen mannen die eigenlijk Auke en Henk Hoekstra heetten. Zwaar bezweet weer naar huis voor het avondeten. Gekookte andijvie. Of bloemkool met een maïzenapapje. Draadjesvlees. Yoghurt of gortpap na. Gelukkig nooit de bloempap die ik moest eten als ik bij Pake ging logeren. Pake. De vader van mijn vader.
Ik herinner mij nog dat mijn broer en ik met onze vader naar Terhorne fietsten. Mijn zusje en moeder met de bus. Mijn broer op de zwarte fiets met houten klossen, ik op mijn blauw wit geverfde fietsje. Tegenwind, altijd hadden we de wind tegen. Gelukkig gingen we meestal met de bus naar Terhorne. De NTM. Het zuchten van de versnelling. Dubbele kluts. Pake die op het bankje naast zijn huis op ons wachtte. Vraag mij nu nog af of hij het wel prettig vond als wij met zijn allen kwamen. Denk dat hij liever met zijn buurman, zijn vriend op het bankje was blijven zitten. Er werd veel gezwegen aan de tafel in de woonkamer van Pake. Af en toe een Friese zin van mijn vader of van Pake. Mijn vader zware Van Nelle, Pake Javaanse jongens uit een blikken shagautomaatje. Meestal hield ik het zwijgen niet lang vol en ging dan schommelen in de smidse. Spinnewebben, verroest gereedschap. Alsof de smid dertig jaar geleden alles achter zich had gelaten en weg was gegaan. Twee touwen aan een balk in het plafond. Een glad houten plankje waar mijn vader waarschijnlijk ook op heeft geschommeld. Buiten plassen. Pake had nog zo’n tonnetje dat 1 keer per week werd geleegd en daar wilde ik echt niet op poepen. Inhouden. Alles inhouden.
Soms kwamen Opa en Oma, van moederskant, met de vaalblauwe Renault Dauphine naar ons in Leeuwarden. Meestal met verjaardagen. Groningen was toen nog erg ver. 54,7 kilometer . De dikke sigaar van Opa, de mentholsigaretten die mijn moeder en Oma rookten. Gladstone en Belinda. Geloof trouwens niet dat ze over de longen rookten. Ze bliezen meer. Verjaardagen. Dop pindaas. Jonge en oude jenever. Advocaat met slagroom. Pas veel later de Harke Pieter balletjes, die na de eerste keer nooit helemaal naar de zin waren van mijn vader. Tante Aly die mijn moeders haar permanentte en daarbij bier gebruikte. De stank van fixeer. De blauw witte droogkap waar ze dan onder zat. Een sigaretje en de Margriet.
De kanker van Opa en het verdriet van mijn moeder. Na zijn dood, ik was toen zes, met mijn moeder naar Onder de Linden waar ze een camee hanger kreeg. Had Opa zo gewild. Alle twee moesten erg huilen. Ik begreep niet waarom. Wilde liever naar buiten. Mijn leven speelde zich veel buiten af. Ik wilde er uit. Niet thuis zijn. Thuis zijn betekende stil zijn. Mijn vader die een nachtdienst had gedraaid, mijn moeder die ziek op bed lag. Herinner mij de keer dat mijn moeder in de woonkamer huilend afscheid van ons nam. Ze moest weer geopereerd worden in het Academisch in Groningen. Weet nog dat ik voelde dat het erop of er onder was en vroeg wat er ging gebeuren als ze niet meer terug zou komen. Groot verdriet en boosheid want ‘natuurlijk komt Mama terug.’ Ik was daar niet zo zeker van. Voortaan maar inhouden.
Met de boemel naar het Academisch ziekenhuis in Groningen. Hardegarijp, Veenwouden, Buitenpost, Hoogkerk. Kochten toen voor haar in een sigarenzaak een blikje met gesuikerde snoepjes. Herinner mij dat ik de paarse vooral lekker vond. Van het ziekenhuis bezoek weet ik alleen nog maar het ingehouden verdriet van mijn moeder bij het afscheid.
Van mijn broer en zus hoor ik dat we in onze jeugd veel uit logeren gingen als mijn moeder weer opgenomen was. Zelf heb ik daar amper herinneringen aan. Wat ik weet is dat we veel gezinsverzorging hadden. Een lief mens uit Joure waarvan ik de naam niet meer weet. Trijnie en Tineke Siemonsma. De laatste verbruidde het bij mijn vader door het vlees te koken in plaats van te bakken.
In '69 haalde mijn vader zijn rijbewijs. We waren op vakantie in een PEB huisje op Terschelling. Gingen vaak naar de Waddeneilanden. Groene hutkoffer met de NTM naar Harlingen, wij op de fiets. Dat jaar stonden we op een veldje met allemaal collega’s van mijn vader. Bij de receptie naar huis gebeld. 05100-30907. Mijn vader was geslaagd. Iedereen hielp mee met versieren. Welkom Harry Hill. Magere Hein als vaste bijrijder. Kort na onze vakantie kocht mijn vader bij de garage van Bootsma zijn eerste auto. Was nodig door de ziekte van mijn moeder. Een witte Ford Taunus 17 M Super. Lange blauwe voorbank en handversnelling. Las later dat de auto 3600 gulden had gekost. Geld dat ze van Pake hadden geleend. Hadden ze zelf niet ondanks dat mijn vader goed verdiende. Weet nog hoe trots mijn moeder was toen mijn vader loonsverhoging kreeg en ze niet meer in het ziekenfonds hoefden. Mijn moeder was, geloof ik wel gevoelig voor status. Technisch hoofdambtenaar. Irriteerde mij vaak aan haar stem als ze met vreemden aan de telefoon was. Proberen niet te praten met een Gronings accent en een wat krampachtig geaffecteerde r. Klonk heel anders dan wanneer ze belde met mijn vader op de zaak. “ Mag ik toestel 218, alstublieft?”
Ik denk dat ik 11 was toen mijn moeder aan de kunstnier kwam te liggen. Twee keer per week de hele dag naar het Bonifatius om te spoelen. Naast haar meneer Bottema uit Beerta, naam was ik kwijt, en Jan Rosing uit Nieuw Buinen. Bleek de broer te zijn van mijn moeders beste jeugdvriendin. Op de dagen dat zij in het ziekenhuis was, na schooltijd er naar toe. Het spoelen eiste haar tol. Duurde steeds langer om te herstellen. Af en toe ook complicaties. Inwendige bloedingen. Dubbele tong en duizelingen. Niet willen dat mijn zusje of ik onze vader zouden bellen. Telefoon uit onze handen gerukt. Toch gebeld. Met spoed opgenomen in het ziekenhuis en geopereerd. De volgende dag was ze erg verdrietig, maar blij dat we hadden gebeld. Vraag mij nu af of ze echt blij was. Ze vertelde mij over haar eenzaamheid, over hoe moeilijk het was om mijn vader te bereiken. Ze miste hem. En mijn vader miste haar. Hij werkte zich drie slagen in de rondte. Had niks meer over. Zoveel mogelijk inhouden.
Vlak voor onze verhuizing uit de Essenstraat, kreeg mijn moeder telefoon dat er een nier voor haar beschikbaar was. Mijn vader en moeder de hele nacht op om een besluit te nemen. Transplanteren of niet? Mijn vader hakte de knoop door. Ze was te zwak en de kans dat ze de operatie zou overleven was erg klein. Niet doen. Later heeft hij mij vaak verteld dat hij spijt had van deze beslissing. Hierna heeft ze nog anderhalf jaar geleefd. Verhuisd naar de Robinssonstraat. Inmiddels speelde mijn leven zich helemaal buiten af. Was weinig meer thuis. Herinner mij de laatste avond met mijn moeder. Ik kwam terug van een avond met mijn vrienden en reed op mijn Puch naar huis. In het pad daarnaar toe werd ik staande gehouden door buurman van der Meulen. Er was wat ergs gebeurd met mijn moeder. Ik moest mij voorbereiden op het ergste. Ik hield mijn adem in.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten